PALET VAN AMSTERDAM-(IJBURG)

BEDANKT

Raadhuisstraat in de middag. Er is veel verkeer, zoals altijd. Fietsers, scooters, wandelaars en vooral auto’s, veel auto’s. En natuurlijk de tram. Alles krioelt door elkaar, maar dat zijn we gewend.
Dit keer is het anders, erger. De weg is opgebroken. Onduidelijke bezigheden, die op den duur een verblijdend resultaat krijgen. Maar zover is het nog lang niet.

Herma, mijn vrouw, op weg naar haar bestemming ziet dit alles aan en beziet hoe zij de oversteek moet wagen. Ze ontwaart een wegwerker, die speciaal is belast met het thema “veiligheid” en de voetgangers moet behoeden voor ongewenste valpartijen. Met oeverloos geduld zet hij iedere keer een hek opzij, wanneer de mensenstroom daartoe aanleiding geeft en wijst de mensen op een hoge opstap.
Het is al middag en dit werk lijkt hij al uren te doen. Met niet aflatende vrolijkheid, een eigenschap, die menige Amsterdammer nog steeds siert, doet hij zijn werk.
Ook zij waagt nu de oversteek en bevindt zich achterin de menigte. Wanneer zij de man met oranje hes passeert kijkt zij hem aan en bedankt hem voor de hulp.

En dan gebeurt er wat. De man kijkt haar  met verwondering aan en roept collega’s bij de voornaam: “hé jongens, zij is de eerste vandaag, die mij bedankt”. Daarna richt hij zich tot Herma en zegt: “mevrouw, ik sta hier vanaf de vroege ochtend, iedereen loopt langs mij heen ,ze zijn zelfs boos door het oponthoud, maar “niemand zegt nie ene”. U zegt: “bedankt”; dat vind ik nou echt leuk van u”. Herma blijft staan en er volgt een gesprekje, waarin ze nog eens benadrukt hoe goed en belangrijk zijn aanwijzingen zijn. “Maar man, dat bedanken van mij is toch de normaalste zaak van de wereld”. “Nee, mevrouw, dat is het niet, maar het is wel erg fijn” antwoordt hij. Inmiddels dient zich een nieuwe mensenstroom aan en wanneer Herma nog eens omkijkt ziet ze hoe hij met frisse moed het hek weer opzij schuift.
’t Zijn kleine dingen die het nog steeds doen!

HUISBEZOEK
Alhoewel het bij tijd en wijle best zwaar is en vermoeidheid kan toeslaan probeer ik toch in de tijd, die over is huis aan huis IJburg te bezoeken. Daar gaan nog heel wat uren in zitten, zo realiseer ik me heel goed.

Deze middag is het weer zover en is er ook een afspraak gemaakt. Benieuwd sta ik bij de voordeur, die geopend wordt door een jonge vrouw, die zo blijkt later uit Nigeria afkomstig is. Er heerst dan vaak toch even een wat onzekere sfeer. Dat ben ik al een beetje gewend geraakt. Ze is van R.K.huize en dus is het fenomeen “dominee”al spannend en dan ook nog eens op huisbezoek. Ik heb zo mijn methodes ontwikkeld om het gesprekje zo ontspannen mogelijk te laten verlopen en ditmaal wacht mij weer een verrassing. De buurvrouw van enige huizen verderop, ook afkomstig uit een andere Afrikaanse republiek is op bezoek met op haar schoot een prachtige baby met een schitterend krullenkop. Dat is mooi gearrangeerd.

Alles is nu nog minder bedreigend en het effect is ernaar. De buurvrouw, spreekt diverse talen dooreen, maar we komen er samen goed uit. De dames hebben het naar de zin en er wordt verteld, “gesomberd” en vooral gelachen. Op een bepaald moment oppert de buurvrouw de mogelijkheid haar baby op mijn schoot te parkeren. Niet gewend aan dit tere schoon heb ik er meteen mijn handen vol aan.

Na enige momenten mij intensief met de kleine te hebben beziggehouden teneinde te bereiken, dat hij èn niet bang is èn toch vooral niet uit mijn handen kan glippen, kijk ik op om het gesprek voort te zetten. Maar dat hoeft niet meer. Er heeft zich in die paar momenten een geanimeerd gesprek ontwikkeld tussen de beide dames en mijn aanwezigheid wordt niet langer opgemerkt. Met een brede glimlach volg ik hun gesprek, dat mij bijna tot voyeur  maakt. Ik besluit niet van mij te laten horen, maar eenvoudig op de kleine te letten en af te wachten .
Het duurt best een aantal minuten alvorens de blikken weer mijn kant opgaan. Dit mede, omdat het kereltje wel melding maakt van zijn presentie en dat wordt opgemerkt.

De kleine wordt weer overgenomen. De dames zijn geïnteresseerd en de buurvrouw wordt aangespoord toch ook eens naar de Binnenwaai te komen. Ik vertrek weer. Met brede gebaren en gelach wordt ik uitgeleide gedaan. “Nou, pastor Robbert, u hebt er weer een vriendje bij hoor!”, zo verneem ik. Met hernieuwde gevoelens van bescheidenheid  en blijdschap trek ik voort door IJburgs dreven. Tja, ik heb er een vriendje bij, maar misschien ook wel twee vriendinnen?

EEN VOORBEELD
Onze vieringen in de Binnenwaai kennen een geregelde opkomst van 35 tot 45 kerkgangers benevens drie honden. De kinderen mogen altijd collecteren. Twee mandjes gaan rond en het eindresultaat wordt door hun onder leiding van een oudere geteld. “Rob, er gaat met die collecte iets niet goed hoor, zo kreeg ik toegevoegd door een kerkganger”. Verwonderd keek ik op. “Hoezo”? vroeg ik. “Nou, ik denk niet, dat iedereen goed begrijpt, wat een collecte is”. “Weet je, Rob” en de betrokken persoon werd nu omschreven, “die haalt geld uit het mandje en stopt er weer wat terug; ja, ik kan niet goed zien, wat ie doet, maar dat kan toch echt niet, hoor”.

En zo had ik dan toch weer een winkelhaakje in mijn harmonisch plaatje van de Binnenwaaiers. Wat te doen? Natuurlijk is er maar één oplossing. Goed opletten een volgend keer en ja hoor, daar voltrok zich het gewraakt tafereel. Na afloop van de viering wachtte ik een gunstig moment af om daarover even met de betrokkene te spreken. “Hé, ik wou nog even iets vragen” zo leidde ik mijn actie in. Natuurlijk had ik besloten tot grote omzichtigheid, want  de wereld zit vol  vooroordelen en die sluipen er bij mij dus ook in. “Wat deed jij nou met de collecte? Je haalde er papieren geld af en je deed er volgens mij ook weer iets in? Met een open gezicht en licht geforceerde vrolijkheid bracht ik mijn probleem ter sprake.  Ik was dáárom zo voorzichtig, omdat het iemand betrof, die heel weinig geld heeft. Je houdt dus met van alles rekening. Potdorie, wanneer iemand zó weinig geld  heeft, dat ie de collectemand niet onberoerd kan laten, dan is er een diaconale klus, maar dan moeten we dit toch niet toelaten.
Dat dacht ik althans, maar sprak ik niet uit. Hij keek mij aan met die hem zo sierende trouwe ogen. En in gebroken Nederlands zei hij ”ja, ik heb vaak alleen maar een biljet van 20 Euro bij me, want die paar muntjes ,daar kan de kerk niet van leven. En ja dan pak ik wel een vijfje of een tientje terug, als dat er op ligt tenminste.

“Maar joh, dat hoeft toch niet, zoveel geld in jouw situatie voor de collecte”.
“Nee, nee “antwoordde hij: ”de kerk is belangrijk en die heeft geld nodig, zodat jullie weer andere mensen kunnen helpen”.
Hij keek me triomfantelijk aan. “Je bent een voorbeeld voor ons allemaal” antwoordde ik en ik gaf hem een douw tegen zijn schouder. Van het weinige, dat ie had gaf ie heel veel weg. Wie was het nou toch  in de Bijbel, die het daar ook nogal eens over had?

Rob Visser

De Binnenwaai

Gebouw Solid 18
Ed Pelsterpark 2
1087 EJ  Amsterdam

Abonneer op de Nieuwsbrief